Presentatie Adri Duivesteijn

Rendement zit in het individu

Adri Duivesteijn is al meer dan veertig jaar intensief betrokken bij de Nederlandse ruimtelijke ordening en stedelijke ontwikkeling. Tijdens zijn loopbaan was hij namens de Partij van de Arbeid lid van zowel de Eerste als de Tweede Kamer en wethouder in Den Haag en Almere. Als eerste spreker van de dag legt hij uit waarom de strategische inzet van grond en vastgoed en de huisvesting van publieke functies, maatschappelijk verantwoorde investeringen kunnen zijn.

‘Toen ik hiernaartoe reed, had ik in de auto genoeg tijd om te overdenken wat een goede samenwerking nou eigenlijk kenmerkt. Misschien is de belangrijkste vraag: heb je een open mind? Sta je open voor argumenten, ben je bereid je te laten overtuigen? Of zeg je van tevoren al: ik zie beren op de weg, en door die risico’s laat ik het liever zoals het is?’

Denken in kansen en mogelijkheden is voor Duivesteijn een belangrijke drijfveer. ‘Dan loop je zomaar eens het risico dat het leuk wordt. Sommigen moeten daar vooraf niet aan denken, maar zeggen achteraf: gelukkig hebben we het zo gedaan.’

In beweging blijven
Kansen en mogelijkheden ziet Duivesteijn genoeg als het om vastgoed in het publieke domein gaat, juist omdat het een zeer dynamische sector is. ‘Een stad kent een permanent proces van veranderingen. De manier waarop we onze omgeving definiëren is constant in beweging. Juist daarom liggen er in verantwoord vastgoedbeheer in de publieke sector enorme kansen om het maatschappelijk rendement te optimaliseren.’

Als we praten over vastgoed in de publieke sector dan hebben we het vooral over een ongelooflijke hoeveelheid volume: zo’n 13 miljoen vierkante meter, met bijbehorende geldstromen. Een van de belangrijkste ontwikkelingen van de afgelopen jaren in de combinatie politiek en vastgoed is dat de rijksoverheid als risicodrager is gaan functioneren. ‘Dat kan op een hele anonieme manier,’ zegt Duivesteijn, ‘maar ik geloof in een andere rol. De overheid kan veel betekenen, maar je moet wel geloven in maakbaarheid.’

De praktijk

De rijksoverheid kan de dynamiek van het vastgoed tot middel maken voor het behalen van maatschappelijk rendement. Volgens Duivesteijn is dat niet langer een kwestie van grote lijnen, of van een woonbeleid dat koste wat kost vanaf bovenaf moet worden gedeponeerd. Op zoek gaan naar slimme oplossingen en de burger het heft in eigen handen laten nemen is veel belangrijker. ‘Vastgoed kan een heel goed instrument zijn om veranderingen in de stad mogelijk te maken.’

De overheid kan daarin allerlei rollen aannemen. Duijvestein laat verschillende voorbeelden de revue passeren, zoals de campus van de Vrije Universiteit Amsterdam, die verhuisde van hartje stad naar een empty space buiten het centrum. De stad vormde zich uiteindelijk om de campus heen en dat had onder andere de ontwikkeling van de Zuidas tot gevolg. ‘We mogen niet vergeten dat de rijksoverheid ook de financierder is van heel veel publieke instellingen. Het is fascinerend om te bekijken hoe de rijksoverheid invloed zou kunnen hebben op hoe publieke instellingen zich manifesteren. Dat kan een prima motor zijn voor gebiedsontwikkeling.’

Een optelsom van individuen  
Ook gemeenschapsgrond kan een aanjager zijn voor ontwikkeling. ‘Diversiteit ontstaat op het moment dat je mensen laat acteren in plaats van geïnstitutionaliseerde partijen.’ Als voorbeeld haalt Duivesteijn de gemeente Almere aan, een gemeente die eigen grond bezit. ‘Dat is een hele goede basis voor een relatie met je burgers. Wanneer je mensen de gelegenheid geeft binnen kaders hun eigen plan te trekken, dan worden ze creatief.’ In Almere leidde dit tot een explosie van individuele initiatieven, van duurzame woningen tot bijzondere bouwprojecten zoals een huis zonder ramen. Die creativiteit leverde uiteindelijk ook financieel rendement op voor de gemeente. ‘Zoiets ontstaat alleen wanneer je op een andere manier omgaat met grond. Je geeft het als overheid niet door aan een tussenpersoon zoals een projectontwikkelaar, maar aan de burgers.’

Wat kan de politiek doen?
Om het maatschappelijk rendement van vastgoed te verhogen moet de overheid doelen formuleren die deelbelangen en sectorale wensen overstijgen, daar is Duivesteijn van overtuigd. In het nieuwe regeerakkoord ziet hij die ruimtelijke opgave echter niet geformuleerd. ‘Het is een reeks van sectorale opgaven, die iedereen met oogkleppen op zal proberen te vervullen en dat is jammer. Mensen zijn altijd enthousiast over oplossingen met een integraal karakter, onafhankelijk van hun politieke kleur.’ Duivesteijn ziet zelf groot belang in het formuleren van doelen op een hoger abstractieniveau. ‘Kies voor een beperkt aantal nationale sleutelprojecten, creëer samenwerkingsverbanden tussen overheden en publieke instellingen en maak gebruik van een stimuleringsmaatregelen.’

Een advies voor de Rekenkamer
De stad is ‘samen’, de stad is ‘interactie’ en dat soort processen moet je bevorderen. Daarin ziet Duivesteijn ook een rol weggelegd voor de Rekenkamer. ‘De Rekenkamer heeft een unieke positie en kan de inzet van vastgoed betrekken bij de beoordeling van een doelmatig en verantwoord ruimtelijk beleid.’ Duivesteijn oppert dat het wellicht nuttig zou zijn voor de Rekenkamer om een eigen beoordelingskader te ontwikkelen. ‘Een beoordeling die niet alleen op cijfers gebaseerd is, maar ook op maatschappelijk rendement. De Rekenkamer heeft de mogelijkheid dat te formuleren, te effectueren en te evalueren.’

 

Lotte Lentes
Voeg toe aan selectie